31
‘Alexandra Rose?’ riep de receptioniste.
Toen Alex en ik opstonden en over de drempel het kantoor binnen stapten, werd ik overspoeld door een vreselijk gevoel van déjà vu. De laatste keer dat we hier waren had de arts Alex verteld dat ze een tumor had.
Dr. Grayson stond op vanachter zijn bureau om ons de hand te schudden. Zijn gezichtsuitdrukking was volkomen neutraal, het equivalent van zetmeelpudding. Ik zag Alex’ nieuwe scans op zijn bureau liggen, uitgespreid als een pokerhand. Gisteren had een andere specialist, een moeder van drie die het grootste deel van de procedure over haar kinderen had gekletst, de scans gemaakt terwijl Alex in het MRI-apparaat lag. Nadien had ik de ogen van de vrouw afgespeurd, maar ze onthulden niets over de resultaten.
Hoewel dr. Grayson tijdens de operatie het merendeel van Alex’ tumor had weggehaald, was er een klein schijfje – in de vorm van een dunne halve maan – blijven zitten dat op de oogzenuw rustte. Hij had niet het risico willen nemen dat weg te snijden. Als de tumor nu ook maar een klein stukje was gegroeid, zou hij hem met bestraling moeten bestoken om hem weg te vagen voordat Alex’ zicht permanent beschadigd werd.
Op dit moment was ‘bestraling’ het ergste woord dat ik kon bedenken. Dat betekende dat Alex’ herstel vertraagd zou worden. Het betekende maanden van steroïden, dagelijkse bezoeken aan het ziekenhuis, moeheid en misselijkheid en een tiental andere bijwerkingen. Het betekende dat de oude Alex weggestopt zou blijven waar niemand haar kon zien.
Ik keek weer naar de scans op het bureau van dr. Grayson. Ineens besefte ik dat je bij het pokeren nooit je kaarten neerlegde totdat je uitgegokt was en het spel uit was.
‘Het spijt me,’ zei dr. Grayson terwijl hij Alex aankeek.
Maar drie kleine woordjes. Hoe konden zulke kleine woordjes zo krachtig zijn dat ze me bijna omver bliezen? Ik pakte Alex’ hand vast. Die was ijskoud, net als haar voet op de avond dat ze voor het eerst in het MRI-apparaat was verdwenen, de avond dat dit allemaal was begonnen.
‘Weet u het zeker?’ flapte ik eruit.
Hij knikte. ‘Hij is een aantal millimeters gegroeid. Niet veel, maar in zo’n korte tijd is het genoeg om als waarschuwing te dienen. We moeten bestralen om alle cellen die het gezwel produceert te doden.’
Alex knikte alsof het volkomen logisch was. ‘Wanneer beginnen we daarmee?’ vroeg ze. Haar stem was zo kalm alsof ze vroeg wanneer haar lievelingsprogramma op tv zou beginnen, of hoe laat een vlucht vertrok.
‘Ik hoop dat we je maandag in kunnen plannen,’ zei de arts. Zijn toon was ernstig, zijn gezichtsuitdrukking tegelijkertijd geruststellend en betrokken. Zou je dat tijdens je studie medicijnen krijgen? Kon je een vak volgen waar je leerde om zowel bedroefd als optimistisch te kijken? Plotseling wilde ik opspringen, hem bij zijn schouders pakken en wild heen en weer schudden. Dit was allemaal zijn schuld; hij had niet de hele tumor eruit gehaald. Plotseling haatte ik deze arts met zijn spitse vingers en dure diploma’s. Wat voor nut hadden al die titels verdomme, als hij Alex niet had kunnen helpen?
‘We doen een kuur van zes weken,’ zei dr. Grayson, zich niet bewust van mijn kwade gedachten. ‘De behandeling zelf is relatief simpel. Het doet geen pijn, mocht je je daar zorgen over maken.’
‘Ik heb er alles over gelezen,’ zei Alex. ‘Ik weet wat ik kan verwachten.’
Er klopte iets helemaal niet. Ze zou moeten schreeuwen en gillen over hoe oneerlijk het allemaal was dat ze gedwongen werd op haar negenentwintigste te strijden tegen een hersentumor. Ze zou moeten huilen en bakkeleien. Hoe kon Alex zo kalm zijn?
Ze gleed weg, realiseerde ik me terwijl angst zich in mijn buik vastgreep. Ze zou weer terugvallen naar die eindeloze televisie en doffe ogen. Alex verdween weer, misschien zo ver weg dat ik haar deze keer niet meer zou kunnen bereiken.
‘Radiologie zal een mal voor je moeten maken, zodat de stralen alleen het gezwel raken en de rest van je hersens wordt beschermd,’ zei de arts.
‘Aha,’ zei Alex, zo onemotioneel alsof hij haar net een glas water had aangeboden.
‘Het komt goed,’ zei ik hol, en ik kneep in haar hand. Blijf bij me, smeekte ik in gedachten. Maar Alex’ hand hing slap in de mijne.
‘Heb je nog vragen?’ vroeg de arts. ‘Ik weet dat je iets anders had willen horen vandaag, maar het goede nieuws is dat ik er alle vertrouwen in heb dat we dit met bestraling kunnen elimineren.’
‘Ik dacht dat u zou zeggen dat de tumor niet gegroeid was,’ zei Alex. ‘Mijn zicht is nog goed, dus ik hoopte dat dat betekende…’ Ze slikte en ging verder. ‘Dat er niets was veranderd.’
‘Het is maar een kleine verandering,’ zei de arts. ‘Maar er is een verandering.’
Alex knikte. ‘Aan de slag dan maar,’ zei ze gewoonweg.
De vorige keer dat we in deze kamer waren, had ze de armleuningen zo vastgegrepen dat haar vingertoppen wit werden, waarna ze grapjes had gemaakt en in tranen was uitgebarsten. Nu was ze totaal verdoofd. Ik wilde bijna dat ze een grapje maakte, dat ze iets zou doen om te laten zien dat ze niet de komende drie maanden op de bank in de woonkamer in het niets zou gaan zitten staren.
De arts stond op. ‘Je kunt me altijd bellen als je vragen hebt,’ zei hij. ‘Als jullie buiten even wachten, ga ik kijken of ze je vandaag nog een masker kunnen aanmeten.’
Een paar maanden geleden kreeg Alex kleding aangemeten waarmee ze op de pagina’s van tijdschriften kwam te staan. Nu was het een plastic gezichtsmasker dat ze over haar schedel zou krijgen om haar hersens tegen de vernietigende straling te beschermen. Het was vreselijk oneerlijk.
‘Ik vind het zo verschrikkelijk, Alex,’ zei ik en ik kneep weer in haar hand terwijl we de wachtkamer in liepen. Ik had me nooit machtelozer gevoeld.
‘Wil je dit echt vandaag doen?’ fluisterde ik toen Alex en ik op de gebarsten bruinleren bank gingen zitten. ‘We kunnen ook wachten als je er nog niet klaar voor bent.’
‘Hoeft niet,’ zei Alex. Ze pakte een golftijdschrift vol ezelsoren en bladerde er zo snel doorheen dat ik wist dat ze er geen woord van las.
‘Zeg iets,’ smeekte ik. ‘Alsjeblieft.’
Ze schudde het hoofd, haar blauwgroene ogen – het enige deel van haar gezicht dat niet door de tumor was veranderd – van de mijne afgewend. ‘Laat me dit gewoon afhandelen en dan naar huis gaan.’
Ik liet mijn hoofd zakken en vroeg me af wat ik kon zeggen om Alex te helpen. Ik was tenslotte de probleemoplosser van de familie. Dus waarom kon ik dit niet? Waarom kon ik geen manier bedenken om haar te bereiken?
Toen ik weer opkeek, kwam een jongen die niet veel ouder leek dan tien jaar de ruimte binnen met zijn ouders. Hij was aan de magere kant met een paar sproetjes op zijn neus. Zijn hoofd was in een vers wit verband gewikkeld en zijn gezicht verried dezelfde gezwollenheid als dat van Alex.
‘… volgend seizoen zeker weten zei de coach,’ zei de moeder toen ze binnenkwamen.
‘Oké,’ zei de jongen mat. Zijn bruine ogen waren een weerspiegeling van die van zijn moeder. Maar de hare waren samengeknepen en stonden bezorgd, en waren in tegenspraak met de opgewekte toon van haar stem.
‘We kunnen vanmiddag vrije worpen oefenen,’ zei de vader terwijl hij de jongen op de schouder klopte. Zijn hand bleef daar liggen. ‘Als je je goed genoeg voelt.’
‘Oké,’ zei de jongen, weer zonder enthousiasme.
Ze gingen met z’n drieën op een bank tegenover ons zitten, de ouders ieder aan een kant van hun zoon. Iets daaraan sprak boekdelen; het was alsof ze zelfs hier, in de veilige wachtkamer, de jongen tussen hen in wilden beschermen.
Ik keek naar de nieuwe Spiderman-pleister op de binnenkant van de linkerelleboog van het jongetje en besefte dat hij net bloed had laten prikken, toen iemand wat zei. Het duurde even voordat ik me realiseerde van wie die stem was.
Het was Alex.
‘Ben je fan van de Washington Wizards?’ vroeg ze en wees naar het boek dat de jongen op zijn schoot had liggen. Ik keek verrast naar mijn zus. Ze had haar tijdschrift laten zakken en keek naar het jongetje, keek écht naar hem. De wezenloze blik was van haar gezicht verdwenen.
‘Ja,’ zei de jongen met zijn blik op het boek. Op de voorkant stond een kleurenfoto van een man die een bal dunkte.
‘Ik heb hem een keer ontmoet,’ zei Alex en ze wees naar de basketballer op de voorkant van het boek.
‘O ja?’ vroeg de jongen, maar nu was voor het eerst de matheid in zijn stem vervangen door een sprankje interesse. ‘Echt?’
‘Hij vertelde me dat hij een klompvoet had toen hij werd geboren,’ zei Alex. ‘Hij heeft als kind drie operaties moeten ondergaan. En moet je hem nu zien. Hij is een van de beste sporters van dit moment. Wat schoot hij vorig seizoen? Negenentachtig procent van de vrije worpen?’
‘Echt waar?’ vroeg de jongen, met gefronst voorhoofd. ‘Heeft hij drie operaties gehad?’
‘Hij heeft veel tijd in het ziekenhuis doorgebracht,’ zei Alex. ‘Hij vond het verschrikkelijk, maar hij werd er wel beter gemaakt.’
‘Heb jij een tumor?’ vroeg de jongen aan Alex. Ik was vergeten dat kinderen dat doen: ze raken altijd in één keer de kern van een gevoelig onderwerp zonder eromheen te dansen en tactvolle woorden te gebruiken zoals volwassenen doen. Op de een of andere manier was het een opluchting.
‘Yep,’ zei Alex. Ze deed haar hoed af. Haar haar was nu wat langer, een stekelige borstelkop. Ze ging er met een hand doorheen en trok een grimas.
‘Klote, hè?’
De jongen knikte, maar zei niets.
‘Eerst was ik heel erg bang,’ zei Alex. ‘Daarna werd ik boos.’
‘Ik ook,’ zei de jongen. ‘Ik kan dit jaar niet basketballen.’
‘Jeetje,’ zei Alex. ‘Dat is echt klote. Op welke positie speel je?’
‘Het midden,’ zei de jongen trots.
‘Net als hij,’ zei Alex en ze wees weer naar het boek.
‘Sorry, maar ben jij niet…’ zei de moeder. ‘Ik bedoel, volgens mij heb ik je ergens gezien. En je stem klinkt zo bekend.’
‘Ik ben Alex,’ zei Alex. Verder zei ze niets, ze gleed niet in haar mediarol, zette niet haar tv-glimlach op of gaf toe dat, ja, de vrouw haar eerder had gezien, waarschijnlijk twee keer per week op haar tv-scherm.
‘Wat zei hij nog meer?’ vroeg de jongen.
Ze glimlachte. ‘Weet je wat hij als lunch at toen ik met hem praatte?’
‘Wat?’ vroeg de jongen.
‘Patat met mosterd en chilisaus,’ zei Alex.
De jongen trok zijn neus op en keek toen naar zijn moeder. ‘Mag ik dat ook?’
‘Natuurlijk, schatje,’ zei ze terwijl ze zachtjes in zijn knie kneep.
Ik zat daar verwonderd naar mijn zus te staren terwijl ze met de jongen bleef kletsen en hem zo subtiel troostte dat hij niet besefte dat ze dat deed.
Alex had mij niet nodig om dit voor haar op te lossen, dacht ik ineens. Ze zal zelf een manier bedenken om zich erdoorheen te vechten.
‘Middenspeler, dus?’ vroeg Alex. Ze glimlachte weer naar de jongen. ‘Je bent vast heel goed.’
‘Jazeker,’ zei de jongen trots. Zijn dunne beentjes waren niet lang genoeg om bij de grond te komen, en ze zwiepten heen en weer.
‘Versla je je vader met vrije worpen?’ vroeg Alex. ‘Volgens mij is hij best lang.’
‘Ik heb vorige week van hem gewonnen,’ zei de jongen. Een van zijn voortanden ontbrak en dat maakte dat ik nog meer met hem te doen had. Hier zat hij, opgesloten in het ziekenhuis terwijl de vreugden en mijlpalen van zijn kindertijd aan zijn neus voorbijgingen. Hoeveel verjaardagen, Halloweens en basketbalwedstrijden zou hij moeten missen?
‘Maar vandaag niet,’ zei zijn vader. ‘Ik ben in vorm vandaag.’
‘Ik win evengoed,’ zei de jongen grijnzend.
Ik zag dat de vader een zakdoek uit zijn zak pakte en net deed alsof hij moest hoesten waarbij hij herhaaldelijk in zijn ogen wreef. Dank je, vormden zijn lippen zonder geluid naar Alex.
Het maakte niet uit wat die scans uitwezen, dacht ik fel. Want ze hadden ongelijk. Alles zou goed komen met Alex.